Hordeum (Gerst)
Evenals de graangewassen tarwe, haver, rogge, gierst en rijst behoort Hordeum,
ofwel gerst, tot de grasachtigen (Gramineae), de belangrijkste familie op het
gebied van de voedselproduktie voor mens en dier. De grotendeels nomadisch levende
volken in de prehistorie verzamelden al graankorrels van wilde grassen, en lang
voor het begin van onze jaartelling bracht men de planten in cultuur. Omdat
het verzamelen van plantaardig voedsel meestal de taak van vrouwen was, is het
aannemelijk dat zij de eerste landbouwers waren.
De oorspronkelijke groeigebieden van gerst bevonden zich waarschijnlijk in de
hooglanden van Ethiopië en het zuidoostelijk deel van Azië (Tibet,
Nepal en China). Aangenomen wordt dat er meer dan 7000 jaar geleden al gerst
werd gekweekt in het gebied tussen Syrië en Afghanistan. In Europa werd
er eerder gerst gekweekt dan tarwe of andere graangewassen. Archeologische vondsten
bij de resten van Zwitserse paalwoningen tonen aan dat de cultuur van gerst
van 2000-3000 jaar voor Christus stamt. Als voedsel was gerst tot in de middeleeuwen
van groot belang. De gerst korrels werden tot brij gekookt, maar er werden ook
koeken en platte broden van bereid. Later werd gerst als voedselgewas bijna
overal overvleugeld door tarwe. De plant wordt echter nog altijd op grote schaal
verbouwd als veevoedergewas en als grondstof voor bier. Bier is waarschijnlijk
de oudste alcoholhoudende drank ter wereld. Er zijn aanwijzingen dat het al
4000 jaar v. Chr. werd gedronken in het gebied tussen de Eufraat en de Tigris.
Verscheidene andere volkeren waren de brouwkunst ook al vroeg meester. Afhankelijk
van de streek werd gegiste gerst met verschillende producten gekruid. Zo voegden
de Egyptenaren dadels toe en de Germanen honing. Later werd gruit gebruikt,
met gagel als hoofdbestanddeel, en tenslotte hop.
Gerst is een eenjarige, uitstoelende plant met 50-130 cm lange stengels waaraan
zich een aarvormige bloeiwijze vormt. Aan weerszijden van de getande aarspil
zitten steeds drie bloempakketjes bij elkaar. Bij de zogenaamde zesrijige gerst
zijn alle bloemetjes vruchtbaar. De bloei wordt gevolgd door de vorming van
drie graanvruchtjes aan elke kant van de spil, zodat er een zeskantige aar ontstaat.
Bij tweerijige gerst zijn de zijdelingse bloemetjes onvruchtbaar en wordt er
een platte, tweekantige aar gevormd met slechts twee rijen vruchtjes. Er is
ook een vorm waarvan de aar bestaat uit vier rijen vruchtjes. De tweerijige
gerst wordt H. distichon genoemd. De meerrijige gerst ging eerst wel als H.
vulgare var. polystichon (syn. H. polystichon) door het leven, maar is nu weer
teruggebracht tot de soort H. vulgare. De kafjes waardoor de vruchten worden
omgeven, zijn voorzien van lange kafnaalden, hetgeen de halmen een sierlijk
uiterlijk verleent.
Gerst groeit in zeer verschillende klimaatzones. Het gewas wordt zowel in subtropische
gebieden als in streken met een gematigd klimaat verbouwd. In het noorden strekt
dat gebied zich tot aan de poolcirkel uit, met als uiterste grens 68° noorderbreedte
in Finland. Hoewel de plant in West-Europa een groeiperiode doormaakt van meer
dan 90 dagen, kan ze in kortere tijd rijpen dan enig ander graangewas. Hierdoor
is de cultuur zelfs mogelijk op de berghellingen van de Himalaya, waar het groeiseizoen
heel beperkt is.
Wat de zaaitijd betreft onderscheidt men winter- en zomergerst. Wintergerst
wordt in het najaar (oktober) ingezaaid, zomergerst in het voorjaar (maart-april).
In de mouterij worden de gerstkorrels geweekt met het kaf er nog omheen, om
ze daarna te laten ontkiemen. Bij het kiemproces worden vooral enzymen gevormd.
Na drogen worden de korrels mout genoemd. De mout wordt in de brouwerij geplet,
gemengd met water en tot een soort beslag geroerd. Nadat de enzymen hun werk
gedaan hebben (afbraak van eiwitten en zetmeel) wordt gefilterd. Na het filteren
blijft het 'wort' over, een heldere vloeistof waaraan bij het koken hop als
(o.a.) smaakmaker wordt toegevoegd.
Zaaizaadhoeveelheid
Voor een hoge korrel- en volgerstopbrengst bij brouwgerst is het advies om te streven naar ca. 200 planten per m2, waarbij een plantaantal van 225 planten per m2 het maximum is. Een hogere zaaidichtheid heeft een negatief effect op de stevigheid; er worden dan dunnere en slappere halmen gevormd en de ziektegevoeligheid van het gewas neemt toe.
Zo vroeg mogelijk zaaien, vanaf half februari, mits de structuur het toelaat, is positief voor opbrengst en kwaliteit. Ook blijkt vroeg gezaaide zomergerst minder gevoelig voor droogte te zijn. Dit komt vermoedelijk door de meer intense en minder oppervlakkige beworteling.
Gerst bevat weinig gluten (in water zwellende kleefstoffen) en daarom is het
meel niet geschikt voor de bereiding van gerezen brood. Er zijn wel gerstebroden
te koop, maar deze zijn tamelijk plat. Bovendien is in het deeg dan nog 20-30%
tarwemeel verwerkt.
Vanwege de onverteerbare bolster om de vrucht wordt gerst altijd gepeld. Gepelde
gerst wordt gort genoemd.
Soorten:
Naast de gerst die overal op de akkers wordt aangetroffen, zijn er enkele Hordeum
soorten die in Nederland inheems in bermen en weilanden groeien.
H. jubatum, kwispelgerst, draagt bijzonder fraaie, overhangende aren waaraan
de lange fijne, meestal enigszins purper aangelopen kafnaalden, breed uitwaaierende
pluimen vormen. De ranke stengels worden 30-60 cm hoog. Deze soort bloeit in
juni-juli. Ze is in Nederland van oorsprong niet inheems, maar komt soms als
adventiefplant in het wild voor. In de gebieden van herkomst ( Noord- en Zuid-
Amerika en Siberië) komt deze soort soms zo veelvuldig voor, dat ze als
onkruid wordt beschouwd. Bij ons wordt de plant als eenjarig siergras gekweekt.
De halmen kunnen goed in droogboeketten worden toegepast.
Cultuur:
Voor tuinen is alleen de cultuur van de eenjarig gekweekte kwispelgerst van
belang. Deze verlangt een standplaats in de volle zon op goed doorlatende, niet
te vochtige, liefst zandige grond. Als de stengels van kwispelgerst worden gedroogd,
moeten ze worden afgesneden juist voordat de aren helemaal rijp zijn. In tegenstelling
tot de landbouwrassen is de aarspil breekbaar, zodat deze uiteenvalt als er
te lang met plukken wordt gewacht.